Opzegging van een overeenkomst van opdracht


In deze zaak gaat het – kort weergegeven – om het volgende. In augustus 2007 is opdrachtnemer door Vredestein Banden B.V., de voorganger van Apollo, benaderd om bij haar de functie van financieel directeur ad interim te bekleden. Bij overeenkomst van 4 september 2007 is vastgelegd dat de management BV van opdrachtnemer in de periode van 17 september 2007 tot 1 maart 2008 minimaal vier dagen per week tegen een tarief van € 1.000,- per dag, exclusief btw, een financieel directeur ad interim, in de persoon van de opdrachtnemer zelf, zal inzetten bij Vredestein Banden B.V. In de overeenkomst staat onder andere: “Om moverende redenen kan de opdrachtverlening tussentijds worden gestopt, met inachtneming van een termijn van 4 weken.” De overeenkomst van 4 september 2007 is bij brief van 15 november 2007 tot 31 december 2008 verlengd.  Op 15 mei 2009 is Vredestein Banden B.V. overgenomen door Apollo Tires Ltd uit India, waarna haar naam is gewijzigd in Apollo Vredestein B.V. Bij brief van 26 mei 2009 heeft Apollo opdrachtnemer laten weten in verband met de overname op zoek te gaan naar een nieuwe financieel directeur. Op 24 september 2009 is tijdens het een gesprek gebleken dat verschil van inzicht bestaat tussen de management BV van opdrachtnemer en Apollo over de datum waarop de overeenkomst van 23 december 2008 kan eindigen. Volgens Apollo kan de overeenkomst met inachtneming van een termijn van vier weken worden opgezegd.

Opdrachtnemer vordert dat Apollo haar contractuele verplichting nakomt tot aan het einde van de looptijd. Hij voert 3 reden aan:

1) opzegging kan niet omdat de opdracht voor bepaalde tijd is aangegaan;

2) partijen hebben beoogd tussentijdse opzegging uit te sluiten en

3) de overeenkomst is feitelijk en materiaal gezien een arbeidsovereenkomst.

Het Gerechtshof bevestigt het oordeel van de rechtbank en oordeelt als volgt:

Tav 1

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW de opdrachtgever de overeenkomst in beginsel te allen tijde kan opzeggen. Van deze hoofdregel kan op grond van artikel 7:413 BW (expliciet of impliciet) worden afgeweken. De regel van artikel 7:408 BW geldt niet indien uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte iets anders voortvloeit (7:400 lid 2 BW). De aan de opdrachtgever toekomende opzeggingsbevoegdheid vindt op grond van artikel 6:2 lid 2 BW in verbinding met 6:248 lid 2 BW bovendien haar grens in een in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitoefening van die bevoegdheid.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om van het uitgangspunt dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde mag opzeggen af te wijken. Vanwege de aard van de overeenkomst van opdracht, te weten het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de opdrachtgever, ligt een ruime opzeggingsbevoegdheid voor de opdrachtgever voor de hand. De opdrachtgever dient in beginsel vrij te zijn te bepalen op welke wijze hij zijn belangen behartigd wil zien. Uitzonderingen op dit uitgangspunt mogen in het algemeen niet te snel worden aangenomen. Een partij die zich op een dergelijke uitzondering beroept, dient gemotiveerd te stellen en, zo nodig te bewijzen, dat partijen een afwijking van de hoofdregel zijn overeengekomen, dan wel dat de feiten en omstandigheden van het geval een afwijking van die regel rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof heeft appellant onvoldoende aan deze verplichting voldaan. In dit kader overweegt het hof als volgt.

Het hof is, anders dan appellant stelt, van oordeel dat het feit dat partijen de overeenkomst van 23 december 2008 voor twee jaar zijn overeengekomen geen afwijking van de hoofdregel van 7:408 lid 1 BW kan rechtvaardigen. Artikel 7:408 lid 1 BW is niet beperkt tot overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Om die reden is ook een overeenkomst, die voor bepaalde tijd is aangegaan, in beginsel door de opdrachtgever opzegbaar. Dat dit het geval is, is ook af te leiden uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van dat artikel. In de memorie van toelichting bij artikel 7.7.1.10-11 (opmerking hof: lees artikel 7: 408 BW en 7:409 BW) (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1982-1983, 17779, nr. 3, p. 6) is vermeld: “De bevoegdheid tot opzegging bestaat wel bij een overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan of wordt voortgezet, alsook indien zij van dien aard is dat zij niet door volbrenging eindigt”. Een overeenkomst voor bepaalde tijd, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, valt aan te merken als een overeenkomst van dien aard dat zij niet door volbrenging eindigt en is derhalve opzegbaar.

Tav 2 pas het Hof feitelijk het Haviltex-criterium toe.

Het hof overweegt dat de voorgelegde vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld (en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld) niet kan worden beantwoord op grond van alleen een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (vergelijk onder meer Hoge Raad, 20 februari 2004, LJN: AO1427).

Het hof stelt vast dat de taalkundige uitleg van de overeenkomst van 23 december 2008 opdrachtnemer geen soelaas biedt. Het enkele feit dat die overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, leidt niet tot de conclusie dat partijen hebben bedoeld de wettelijke opzegbaarheid van die overeenkomst uit te sluiten.

Het hof leidt uit de zinsnede in de overeenkomst van 23 december 2008 “De opdracht zoals hierboven geformuleerd zal lopen tot 31 december 2010 en is een vervolg op een eerdere opdracht die afloopt per 31 december 2008” af dat partijen met de overeenkomst van 23 december 2008 hebben beoogd de eerdere overeenkomsten voort te zetten, dan wel te verlengen. Dit biedt steun voor de stelling van Apollo dat ook de overeenkomst van 23 december 2008 met een opzegtermijn van vier weken opzegbaar was, althans dat zij aan voormelde zinsnede redelijkerwijs die betekenis mocht toekennen. Dat zij dat heeft gedaan, blijkt uit de brief van 26 mei 2009.

Het enkele ontbreken in de overeenkomst van 23 december 2008 van de opzeggingsbevoegdheid brengt niet mee dat Apollo heeft bedoeld tussentijdse opzegging uit te sluiten en dat appellant daarop mocht vertrouwen. Zonder enige bepaling over de opzegbaarheid van de overeenkomst blijft de hoofdregel van artikel 7:408 lid 1 BW immers onverkort in stand.

Tav 3

Ook bestond er in de optiek van het Hof geen arbeidsovereenkomst:

Voor de vraag of een rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst, dan wel als opdracht, is bepalend wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop ze feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vergelijk onder meer Hoge Raad 14 november 1997, LJN: ZC2495 (Groen/Schoevers) en Hoge Raad, 10 december 2004, LJN: AP2651 (Diosynth/Groot)). Zoals onder 5.7 is overwogen, staat tussen partijen vast dat zij met de tussen hen gesloten overeenkomsten geen arbeidsovereenkomsten beoogden te sluiten, maar overeenkomsten van opdracht. Dit blijkt verder uit de overeenkomsten, waarin expliciet is verwoord dat het gaat om een opdracht. Apollo en appellant hebben in die zin ook uitvoering gegeven aan de overeenkomsten.

Loon en/of schadevergoeding

De opdrachtnemer vorderde loon dan wel schadevergoeding. Ook dit werd afgewezen door het Hof. Hem kwam wel de opzegtermijn toe van 4 weken.

Met betrekking tot de verschuldigdheid van loon is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat artikel 7:411 BW niet van toepassing is. In de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van dat artikel (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1982-1983, 17779, nr. 3, p. 7) is vermeld:

“Artikel 14 (opmerking hof lees: artikel 7:411) geldt niet voor opdrachten die duurovereenkomsten vormen in die zin dat de honorering plaatsvindt op basis van tijdseenheden (…).”.

Van een dergelijke duurovereenkomst is in het onderhavige geval sprake. Vast staat dat appellant iedere vier weken een vergoeding voor de door hem verrichtte werkzaamheden bij Apollo heeft gedeclareerd en dat Apollo de declaraties periodiek aan haar heeft voldaan.

De verschuldigdheid van loon was niet afhankelijk van het verstrijken van tijd, zoals in artikel 7:411 lid 1 BW bedoelt, maar vond plaats op basis van een tijdseenheid. Appellant heeft aldus op die grond geen recht op loon in de door haar bedoelde zin.

Zie voor de volledige uitspraak deze link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2011:BV0717

Conclusie: overeenkomsten van opdracht voor bepaalde tijd zijn tussentijds opzegbaar. Wat wel relevant is in dergelijke kwesties is de reden van de opzegging. Zonder valide reden bestaat de mogelijkheid dat een rechter gehanteerde opzegtermijnen opzij zet. In deze zaak was er een valide reden en is de schade voor de opdrachtgever de gehanteerde opzegtermijn.

Dat het ook anders kan aflopen, leert http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:2116

In deze zaak was geen opzegtermijn overeengekomen en is een loonvordering over 1,5 jaar deels toegewezen. Opdrachtgever is veroordeeld tot betaling van 6 maanden loon.

Kortom: check uw overeenkomsten van opdracht.

Heeft u vragen over overeenkomsten van opdracht of de beëindiging ervan, neem dan contact op:

bel 010-2614041 of mail gb@advocatenkantoorbloem.nl 

 

 

 

 

 

De Rotterdamse Regelrechter

De rechtbank Rotterdam start per september 2018 een pilot voor snelle geschillenbeslechting: de Regelrechter.

Lees verder