Buitengerechtelijke incassokosten

Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt dat de buitengerechtelijke incassokosten pas verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De aanmaning is een verklaring als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW. Daardoor heeft zij – afgezien van de in dat derde lid genoemde uitzonderingen – pas haar werking indien zij de schuldenaar heeft bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 (Centavos/[C])). De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn vangt derhalve aan daags na die waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen. Dat strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar in ieder geval (de volle) veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.


Wanneer de schuldeiser jegens een consument-schuldenaar aanspraak maakt op betaling van buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 BW, rusten op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die stelplicht omvat dat en op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen. Indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de schuldenaar aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief aldaar (op zijn laatst) is aangekomen. Indien de schuldenaar daarentegen slechts de door de schuldeiser gestelde datum van ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen. (vgl. het hiervoor in r.o. 4.3. genoemde arrest Centavos/[C] en HR 21 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 21 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704) moet voor de schuldenaar uit de verzonden brief duidelijk zijn dat hem de volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking staat. De inhoud van de veertiendagenbrief mag bij de schuldenaar dus niet de onjuiste indruk wekken dat hij de incassokosten al verschuldigd wordt op een datum waarop in werkelijkheid de wettelijke termijn van veertien dagen nog niet is verstreken. Het feit dat niet de exacte wettelijke termen zijn gebruikt in de brief van 4 mei 2016 brengt in dit geval niet met zich dat het voor [gedaagde partij] niet duidelijk was dat hij na ontvangst van de brief nog een termijn van veertien dagen had om de schuld te voldoen. De brief voldoet aldus aan artikel 6:96 lid 6 BW.

Tip: In uw ingebrekestelling c.q. sommatie tot betaling is het raadzaam op te nemen dat binnen 15 dagen na ontvangst van de brief het openstaande bedrag betaald moet worden.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:3062

 

 

 

De Rotterdamse Regelrechter

De rechtbank Rotterdam start per september 2018 een pilot voor snelle geschillenbeslechting: de Regelrechter.

Lees verder